Diagnose: Faalangst op school en hoe ga je ermee om?

Als leerkracht is het belangrijk om te weten hoe je faalangst kunt herkennen op school. Nog belangrijker is dan ook te weten hoe je ermee omgaat. Dat lees je hieronder!

Faalangst op school
School is bij uitstek de plek die faalangst activeert. Leerlingen moeten er prestaties leveren en ze worden beoordeeld door leerkrachten, klasgenoten en zichzelf. De praktijk dat taken en gedrag worden beoordeeld is voor de meeste leerlingen geen bezwaar. Een beoordeling geeft zicht op het kennen en kunnen van een leerling. Leerlingen ervaren een beoordeling veelal als een stimulerende prikkel om tot prestaties te komen. Bij een kleinere groep leerlingen werkt een beloning niet stimulerend. Dit zijn leerlingen waarbij sprake is van een matig zelfvertrouwen. Op het moment dat zij beoordeeld worden, voelen zij zich onzeker. Hierdoor vallen prestaties vaak tegen. De schoolcultuur van het leveren van prestaties en het beoordelen van die prestaties zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Scholen die zich hiertoe beperken zullen meer faalangst activeren, dan scholen die meer aandacht besteden aan een affectief klimaat. Scholen die naast cognitieve vaardigheden ook creatieve, sociale en motorische vaardigheden stimuleren onderscheiden zich in positieve zin. Faalangst binnen de school kan mede ontstaan wanneer er vooral aandacht is voor presteren en niet wordt gekeken naar de inzet die je daarvoor moet leveren. Ook is er in zo’n omgeving veel aandacht voor wat allemaal is gelukt en komt vrijwel nooit iets naar voren wat moeite heeft gekost en toch is mislukt. Wanneer ook nog weinig complimenten worden gegeven als iets lukt, kan dit de ontwikkeling van faalangst stimuleren.

Ook kunnen leraar-leerling interacties een rol spelen in de ontwikkeling en instandhouding van faalangst. Binnen het schoolklimaat zijn de leraar en leerling beiden betrokken in een leerproces. Dit proces komt tot stand door interactie welke is gebaseerd op constante onderlinge beïnvloeding van elkaar. Voordat de leraar en de leerling elkaar voor het eerst ontmoeten hebben zij al ervaringen en ideeën opgedaan die van invloed zijn op hoe de interactie gaat verlopen. De vraag is wat zij met die ervaringen en ideeën gaan doen in het onderlinge contact. De interactie tussen de leraar en de leerling kan faalangst oproepen. Dit betekent echter niet dat de leraar slecht is of dat de leerling van nature angstig is. Wanneer de ervaringen en ideeën van beiden niet overeenkomen en daardoor beiden andere verwachtingen hebben van de interactie kan faalangst worden ontwikkeld.

Doordat leraren dagelijks te maken hebben met meerdere leerlingen en ook al deze leerlingen moeten beoordelen, kan het zijn dat zij wel eens hun eigen invloed uit het oog verliezen. Zij beoordelen leerlingen, zonder daarin altijd hun eigen rol te zien. Leraren schrijven problemen bij leerlingen dan ook vaak toe aan individuele dysfuncties van de leerling. Leraren zijn zich vaak niet bewust van hun manier van lesgeven en interacteren, waardoor problemen in eerste instantie worden toegeschreven aan de leerling.

Signalering op school
Scholen hebben de verplichting om bij stagnerende leerlingen te onderzoeken waar de oorzaak van het probleem ligt. Bij sommige leerlingen kan er sprake zijn van faalangst. Er bestaan goede instrumenten, zoals vragenlijsten die scholen kunnen helpen bij het herkennen van faalangst.

Vragenlijsten
In de loop der jaren zijn er verschillende vragenlijsten ontwikkeld, elk voor hun eigen categorie leerlingen:
– In de bovenbouw van de basisschool wordt vaak gebruik gemaakt van de SVL (SchoolVragenLijst) versie basisonderwijs;
– In de onderbouw van het voortgezet onderwijs wordt gebruik gemaakt van de SVL versie voortgezet onderwijs.
De SVL bevraagt de leerlingen hoe zij zichzelf zien. Het gaat over hun motivatie, welbevinden en zelfbeeld. Op de vraag of leerlingen faalangstig zijn,geven de vragen rondom het zelfconcept een voorlopig antwoord.

– De VSV (VragenLijst Studievaardigheden) of ETAV (Examen Toets Attitude Vragenlijst) zijn afgestemd op de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.
De VSV is bedoeld voor leerlingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Van deze oudere leerlingen wordt verwacht dat ze meer zelfstandig leren. Het is niet vanzelfsprekend dat alle leerlingen voldoen aan de voorwaarden van zelfstandig leren. Eén van de onderzochte factoren binnen deze vragenlijst is faalangst.

In de ETAV wordt faalangst gezien als een negatieve emotie die een ongunstige invloed heeft op de prestaties van de leerling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een verstandelijk component (piekeren) en een gevoelscomponent (emotionaliteit). Piekeren wordt als verantwoordelijk gezien voor de negatieve uitwerking op schoolprestaties. Emotionaliteit verwijst naar gevoelens en naar lichamelijke reacties, die een leerling bij zichzelf ervaart tijdens het presteren. De ETAV vraagt leerlingen te rapporteren hoe zij zich in het algemeen voelen naar aanleiding van het maken van toetsen.

– De SSAT (SituatieSpecifieke AngstTest) kan worden gebruikt bij leerlingen in de leeftijd van elf tot en met zeventien jaar.
De SSAT is een meetinstrument dat werkt volgens de vragenlijstmethode. Het doel is de mate van evaluatieangst in de schoolse taaksituatie vast te stellen. Daarbij wordt gekeken naar de rol die cognities en affecten spelen in de wijze waarop de leerling zegt om te gaan met taaksituaties. Met deze test kunnen leerlingen worden gesignaleerd die door hun faalangst gehinderd worden bij taaksituaties.

– De PMT-K (PrestatieMotivatieTest voor Kinderen) is gemaakt voor leerlingen van tien tot zestien jaar. Daarnaast is er een PMT die geschikt is voor (jong)volwassenen.
De PMT-K is in beginsel alleen te gebruiken door psychologen en orthopedagogen. Bij begeleiding van kinderen met faalangst wordt deze test vaak gebruikt om aanvullende informatie te verkrijgen, naast bijvoorbeeld de SVL. De test meet motieven als: prestatiemotief, negatieve faalangst, positieve faalangst en de sociale wenselijkheid.

De bovenstaande vragenlijsten zijn uitsluitend bedoeld als hulpmiddel om een voorlopige diagnose te kunnen stellen voor faalangst. Middels de antwoorden op de vragenlijsten komt er een selectie tot stand: Welke leerlingen lijken problemen te hebben op welk gebied? Met hen wordt voor een nadere diagnose een begeleidingsgesprek gehouden.

Observatie
Naast het afnemen van vragenlijsten leveren observaties van het leerlinggedrag een veelheid aan gegevens op over potentiële faalangst bij leerlingen. Observaties houden rekening met factoren die in vragenlijsten niet kunnen worden meegenomen. Zoals de samenstelling van de klas, de sfeer in de klas, de lichamelijke conditie en de culturele lichamelijke reacties van een leerling, welke kenmerkend zijn voor faalangst.
Bron: http://faalangstinschool.webs.com/signalerenschool.htm

Omgaan met faalangst op school
Wat is er belangrijk in de omgang met faalangst op school? Lees hieronder meer over dit onderwerp.

1. Faalangstige leerlingen hebben veel behoefte aan overzichtelijkheid. In de lessituatie is het volgende van belang:
– dat de lesstof overzichtelijk en stapsgewijs aangeboden wordt;
– alvorens door te gaan met een volgend onderdeel de leerlingen voldoende gelegenheid geven om vragen te stellen;
– structuur aanbrengen d.m.v. het besprokene te herhalen, voorbeelden geven en het zoeken naar toepassingen;
– kleine oefeningen tussendoor geven zodat de leerlingen kunnen controleren of ze de nieuwe leerstof begrijpen.

In de toetssituatie is het volgende van belang:
– Formuleer de toets opdracht kort en bondig;
– Geef aan welke of hoeveel opdrachten gemaakt moeten zijn om een voldoende te halen;
– Kondig aan het begin van de toets aan hoeveel tijd de leerlingen eraan mogen besteden. Vermijd tijdens het proefwerk het vermelden van de hoeveelheid tijd die nog over is.
Onverwachte toetsen kunnen voor faalangstige leerlingen extra belastend zijn.

2. Faalangstige leerlingen hebben behoefte aan kennis over de eigen prestaties. Als leraar kun je hieraan tegemoet komen door:
– de leerlingen positief te bevestigen wanneer je ziet dat ze een opdracht goed uitvoeren;
– Taakgerichte informatie te geven over de kwaliteit van het werk. Vertel wat er goed en/of fout is en waarom. Geef aanwijzingen over wat de leerling nog moet leren gezien de gemaakte fouten;
– Vermijd het geven van negatieve persoonsgerichte opmerkingen;
– Stimuleer dat de leerling leert reële doelen te stellen en zijn geleerde prestatie juist toe te schrijven.

3. Faalangstige leerlingen hebben behoefte aan warme persoonlijke relaties. Als leraar kun je hieraan tegemoet komen door:
– te zorgen voor een vriendelijke/veilige sfeer in de klas;
– te zeggen en te doen wat je werkelijk bedoelt. Sarcasme is funest voor een faalangstige leerling;
– de leerling te laten merken dat je ze accepteert als persoon en dat dit niet afhangt van hun prestaties;
– het maken van fouten te beschouwen als onderdeel van het leerproces.

4. Faalangstige leerlingen hebben behoefte aan personen die als voorbeeld dienen.
In de puberteit identificeren jongeren zich het meest met leeftijdsgenoten. Door de leerlingen samen te laten werken in groepsverband biedt je de faalangstige leerling de mogelijkheid om zich te identificeren met leerlingen die kwaliteiten hebben die hij/zij zich ook eigen zou willen maken.

5. Faalangstige leerlingen hebben behoefte aan positieve verwachtingen.
Stimuleer positieve verwachtingen door die hardop aan de leerling te vertellen. Het uitspreken van negatieve verwachtingen moet voorkomen worden. Negatieve uitspraken hebben een verlammende werking en bevestigen de negatieve gedachten van de faalangstige leerling.

Wat kun je als leerkracht doen?
Je kunt gaan voor de algemene aanpak.
– Faalangstige kinderen hebben behoefte aan overzichtelijkheid;
– Reageer en help als een leerling onzekerheid vertoont;
– Bouw de leerstof op uit stapjes die gemakkelijk te overzien zijn;
– Geef oefeningen tussendoor zodat gecontroleerd kan worden of de stof begrepen is;
– Geef korte overzichtelijke opdrachten;
– Geef het huiswerk op ruim voordat de bel gaat zodat niet op de valreep van alles genoteerd moet worden;
– Praat bij huiswerk zeker in het begin over hoe de leerstof geleerd moet worden;
– Zorg dat de leerlingen bij een proefwerk de vragen op een kopie krijgen of van het bord kunnen lezen. Dit is beter dan de vragen afzonderlijk voor te lezen, en dan telkens tijd te geven voor beantwoording;
– Laat duidelijkheid bestaan over de zwaarte waarmee cijfers voor mondelinge beurten meetellen in verhouding tot cijfers voor schriftelijke overhoringen en proefwerken;
– Bij een toets kan ook aangegeven worden welke opdrachten in ieder geval gemaakt moeten zijn om een voldoende te krijgen. Maak een opbouw van makkelijk naar moeilijk;
– Zorg dat er niet teveel tijdsdruk is. Geef ruimschoots de gelegenheid om iets af te maken. Opmerkingen als ‘nog 5 minuten’ werken verlammend.
– Maak foutenanalyses van werk: geef aan waar fouten zitten;
– Schenk aandacht aan duidelijke regels, eisen en afspraken (ook in de klas);
– Faalangstige leerlingen zijn gebaat bij zekerheid over toekomstige gebeurtenissen;
– Na klassikale instructie kan het zinvol zijn voor faalangstige leerlingen op schrift of bord de opdracht meer te structureren, bijvoorbeeld duidelijke onderverdeling in stapjes;
– Laat de aangegeven structuur in het begin duidelijker zijn dan later;
– Geef tijdens het uitleggen, voorlezen en vertellen samenvattingen zodat de leerling het gevoel heeft dat hij greep houdt op het onderwijsgebeuren;
– Grijp regelmatig terug naar bekende leerstof. Herhaal die in het kort en sluit de nieuwe leerstof daar op aan;
– Geef geen onverwachte proefwerken of beurten. Je kunt met de faalangstige leerlingen van tevoren individuele afspraken maken over tijd en aard van overhoring. Laat de leerling eventueel zelf initiatief nemen voor een overhoring;
– Geef vrijblijvende proef-proefwerken zonder beoordeling en bedoeld voor feedback en bekendmaking van de aard van de vragen. Dit kan gezamenlijk in de klas worden nagekeken. Datzelfde kan men doen t.a.v. mondelinge overhoringen;
– Geef geen beurten voor de klas. Een beurt in de klas op je eigen plaats is al erg genoeg.

Faalangstige kinderen hebben behoefte aan kennis over eigen prestaties:
– Kom samen met leerlingen tot redelijke verwachtingen, wat is een reële inschatting?;
– Maak samen met de leerlingen een zgn. prognoserapport, waarin de verwachtingen t.a.v. te behalen cijfers bij het volgende rapport vastgelegd worden;
– Het is belangrijk positieve verwachtingen uit te spreken t.a.v. de prestaties van het faalangstige kind, waarbij men natuurlijk niet te hoog moet grijpen;
– Bouw zoveel mogelijk succeservaringen in door taken aan te bieden die ze aan kunnen;
– Maak ze bewust van de prestaties of werkwijzen die redelijk of goed worden uitgevoerd;
– Het is van belang zo snel mogelijk informatie te geven over de wijze waarop ze taken hebben uitgevoerd;
– Maak samen met de leerling een lijstje met door hem veel gemaakte fouten, dat hij als checklist bij zijn werk kan gebruiken.

Faalangstige leerlingen hebben behoefte aan warme persoonlijke relaties met de leerkracht en klasgenoten:
Zorg voor een vriendelijke, niet bedreigende sfeer in de klas.
– Treedt het kind niet veroordelend tegemoet maar accepteer dat het nog zo faalangstig is;
– Haal zoveel mogelijk het competitie-element uit de lessituatie;
– Persoonlijke erkenning van de leerkracht is van wezenlijk belang. Stel de acceptatie van een leerling niet afhankelijk van de prestaties die de leerling levert;
– Van belang is dat de leerkracht voorspelbaar is in zijn gedrag;
– Zoek als leerkracht wat vaker contact met het kind en zorg ervoor dat deze contacten positief verlopen;
– Probeer het kind te stimuleren en bemoedigend te benaderen;
– Veroordeel of geringschat de twijfelachtigheid, aarzelingen en bangheid van het kind niet;
– Geef geen negatieve persoonsgerichte kritiek;
– Bij een positief resultaat is persoonsgerichte kritiek juist wel goed;
– Gebruik geen boodschappen met dubbele bodems bijv. “dat vind ik een geweldige prestatie van jou”, bij onvoldoenden;
– Vermijdt alle cynische opmerkingen of negatieve kritiek;
– Wees erg voorzichtig met conclusies;
– Positieve uitingen in de vorm van schouderklopjes, vreugde over de behaalde prestaties zijn erg belangrijk;
– Een optimistische houding heeft een voorbeeldfunctie. Een leerkracht kan positieve verwachtingen hardop uitspreken en daarmee een andere draai geven aan de negatieve spiraal waarin de leerling zit;
– Leg de nadruk op wat goed is in plaats van op fouten en mislukkingen. Vergelijk het faalangstige kind niet met de klassikale norm maar met zichzelf;
– Leer de leerlingen de successen toe te schrijven aan oorzaken binnen jezelf. Dus oorzaken die je kunt beïnvloeden. Leer ze ontdekken dat ze zelf verantwoordelijk zijn voor die prestaties;
– Een reactie op het maken van fouten zijn “van je fouten kun je leren” en “het is heel normaal dat je fouten maakt, we zijn toch op school om te leren”;
– Geef het kind wat extra tijd om een antwoord op een vraag te geven;
– Negatieve faalangstige leerlingen werken graag met iemand samen, aan wie ze zich op kunnen trekken. Iemand die kenmerken heeft die zij zelf zouden willen hebben. Houdt met dit gegeven rekening bij de samenstelling van groepen. Let dan wel op dat de faalangstige leerling niet gedomineerd wordt;
– Laat het kind merken en voelen dat je vertrouwen hebt in zijn/haar mogelijkheden.

Meer weten?
Er zijn verschillende uitingen van faalangst te herkennen. Morgen lees je daar meer over!

Was dit artikel nuttig? ‘Like’ het onderaan de pagina of op Facebook!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s