Traditionele onderwijsvernieuwers

Er zijn in de jaren vele onderwijsvernieuwers naar voren gekomen, hieronder vind je meer informatie over de traditionele onderwijsvernieuwers.

Dalton-onderwijs
Helen Parkhurst
Pedagogische aspecten: Teamwork, vrijheid als voorwaarde voor innerlijke ontplooiing, zelfwerkzaamheid voor persoonlijke ontwikkeling, samenwerken ter bevordering van sociale vorming.
Didactische aspecten: Drie principes; 1. vrijheid (in gebondenheid), 2. zelfwerkzaamheid, 3. samenwerking.
Rol van de leerkracht (vaardigheden): De leerkracht is geen leider maar een begeleider met 3 functies. Voorbereidingsfunctie: zorgt ervoor dat alle verplichte leerdoelen, leerstappen, werkvormen en eisen beschreven en uitgevoerd worden. Verwerkingsfunctie: moedigt de leerlingen aan om voorkennis te activeren, leerstof te analyseren, relaties tussen begrippen leggen. Regulatiefunctie: stimuleert het zelfvertrouwen van de leerling, biedt ruimte voor eigen beslissingen en stimuleert onderlinge hulp en samenwerking van leerlingen.
Rol van de leerling: Rol leerling Dalton-onderwijs: De leerling is verantwoordelijk voor het eindproduct en de wijze waarop het eindproduct tot stand is gekomen. Een goede Dalton leerling: kent zijn/haar dagritme, kan samenwerken en samenwerkend leren, helpt en wil geholpen worden, helpt een ander een probleem op te lossen, voelt zich verantwoordelijk voor het eigen werk, evalueert eigen werk, houdt rekening met een ander, stoort een ander niet, weet materialen te vinden en zoekt een goede werkplek.
Rol van de ouders: Ouders spelen de belangrijkste rol in de ontwikkeling van het kind. Zij moeten hun kind stimuleren en begeleiden t.a.v. de school. Bijv. betrokkenheid bij school, het kennen van, en begrip hebben voor onze doelstellingen.
Organisatie van school en klas: Groepen indelen op niveau of interesse, samenwerken staat centraal: tafels staan in groepjes, pedagogisch klimaat is erg belangrijk.
Materialen: Geen specifieke materialen. Taak moet voldoen aan duidelijke instructie, omschrijving van de doelen, motiverende inleiding, minimum stof die kind moet beheersen, onderscheid van 3 niveaus kunnen maken.
dalton-logo

Freinet onderwijs
Célestin Freinet
Pedagogische aspecten: d.m.v. mogelijkheden door zelfontplooiing komen, veel ruimte voor eigen keuzes, techniek van Freinet.
Didactische aspecten: Ontdekkend leren, zelfontplooiing, werksituatie op niveau van het kind, werkhoeken.
Rol van de leerkracht (vaardigheden): observatie, optimalisering van de omgeving, begeleider en stimulator op afstand, evaluatie. Leraar is vaak gelijkwaardig lid.
Rol van de leerling: In Freinetscholen wordt gewerkt met het begrip zelfbestuur, waar onder verstaan wordt: activiteiten waarmee zij zelf verantwoordelijk zijn, invloed kunnen uitoefenen op hun eigen leerproces en gang van zaken in de groep.
Rol van de ouders: De rol van de ouders is groot. De ouders worden beschouwd als volwaardige partners in de discussie over de uitgangspunten en de wijze waarop de school die probeert te realiseren.
Organisatie van school en klas: De school is een coöperatieve leef- en werkgemeenschap. Ervaringen van kinderen zijn uitgangspunten voor het onderwijs. School is opgebouwd in leeftijdsgroepen. Kinderen werken alleen of samen in werkhoeken, hier werken zij aan eigen gekozen activiteiten. Er zijn klassikale momenten.
Materialen: Belangrijkste is de drukpers, daar worden teksten mee vermenigvuldigd. Schoolcorrespondentie, de kinderen sturen hun teksten en materialen op naar andere school die daarop reactie geeft. De muurkrant is een middel voor het kenbaar maken voor uitingen van kinderen. Kinderen ontwerpen eigen lesmateriaal.

Montessori onderwijs
Maria Montessori
Pedagogische aspecten: Kind als uitgangspunt: opvoeding en onderwijs helpen het kind zijn eigen persoonlijkheid te ontwikkelen. Ontwikkeling volgens een grondplan: absorberende geest, gevoelige periode, omgeving, aanleg en talent. Fases van ontwikkeling: het geestelijk embryo (0-3 jaar), de bouwer van de mens (3-6 jaar), de verkenner (6-9 jaar), de wetenschapper (9-12 jaar), de organisator (12-15 jaar), de betrokkene (15-18 jaar).
Didactische aspecten: Leeftijdsheterogene groepen, gevoelige perioden (ontwikkelingsfasen), vrijheid, zelfstandigheid, sociale omgeving.
Rol van de leerkracht (vaardigheden): De leerkracht moet: kinderen helpen zelf te werken, belangstelling opwekken, hen aanmoedigen en de leerstof op grootste wijze aanbieden, een persoonlijkheid en een mens zijn, gevoleig en veel belangstelling hebben voor zijn of haar leerlingen, erop gericht zijn dat het kind activiteiten ontplooit, het lokaal op een uitdagende manier inrichten, klaar staan om te begeleiden, en brengt aan kinderen het gevoel over dat hij of zij iets te bieden heeft en hen verder op weg wil helpen, de kinderen aanvoelen, bescheiden zijn en vol vertrouwen hebben in het kind, luistert, kijken en het kind volgen met respect.
Rol van de leerling: Leer mij het zelf te doen! Kind kan alleen of samenwerken. Dit bepaalt het kind zelf. Jonge kinderen leren van de oudere, meer ervaren leerlingen.
Rol van de ouders: openheid, gelijkwaardigheid, verwant zijn met de opvoedingsidealen van Montessori, zelfstandig opvoeden.
Organisatie van school en klas: Heterogene groepen, regels in de groep worden door de oudere leerlingen nageleefd, waardoor de jongsten deze overnemen. De omgeving is ingericht volgens het vakgebied en kinderen zijn altijd vrij om te bewegen rond de kamer in plaats van op een vaste plek. Er is geen limiet aan hoe lang een kind kan werken met een stuk materiaal. Verdeeld in 3 groepen onder-, midden- en bovenbouw.
Materialen: Het materiaal heeft een zeer belangrijke plaats in het Montessori onderwijs. Het is een middel om al werkend en handelend begrippen en vaardigheden te leren en is een schakel tussen doen en denken. Montessori materiaal moet altijd aan de volgende eisen voldoen: werkzaamheid (= je kunt er direct mee aan de slag), controle van de fout (=het kind ziet zelf wat het fout doet), isolatie van de eigenschap (=elk materiaal is geschikt voor slechts één activiteit), aantrekkelijkheid (= het materiaal lokt de kinderen uit om er mee te spelen), beperking (= het materiaal is nooit te complex), opklimming van de moeilijkheid (= het wordt stap voor stap moeilijker).

Jenaplan
Peter Petersen
Pedagogische aspecten: Kind is deelnemer aan de gemeenschap (gemeenschapsschool), ontdekkend leren binnen en buiten de school, erkennen en ingaan op verschillen tussen kinderen, gesprek, spel, werk, viering, stamgroepen, zelfwerkzaamheid.
Didactische aspecten: Weekplan/taak, wereldoriëntatie, stamgroepen, tafelgroepen, vorderingengroepen (instructie), keuzegroepen (interesse).
Rol van de leerkracht (vaardigheden):  De leerkrachten zijn de professionele opvoeders. De leervakken bied je als leerkracht aan groepen kinderen aan, die hetzelfde niveau hebben. Als leerkracht moet je meer doen dan het aanleren van schoolse kennis en vaardigheden, doordat het onderwijs in de school is gericht op de opvoeding van kinderen. Als leerkracht moet je de wereld in de school halen. Daarom ga je vaak de school uit. Als leerkracht zet je projecten op, zodat de kinderen ontdekkend en onderzoekend bezig zijn. Als leerkracht moet je aan een kind taken geven die uitdagend zijn en die het kind aan kan, die het kind voldoende vrijheid laten voor een eigen invulling, maar die tegelijkertijd geen gelegenheid bieden voor vrijblijvend “meedoen”. Als leerkracht moet je veel aandacht geven voor het vak wereldoriëntatie. Je maakt als leerkracht een ritmisch weekplan, waarin de 4 basisactiviteiten terugkomen. Je moet de pedagogische, didactische en organisatorische vaardigheden toepassen, door het werken met drie verschillende leeftijden binnen één groep.
Rol van de leerling: De reformpedagogiek werd gekenmerkt door haar kindgerichtheid. Het kind moest centraal staan in het onderwijs, niet de leerstof. Het intellectuele vermogen werd gezien als slechts één van de vermogens van kinderen.
Rol van de ouders: Welkom bij vieringen/feesten, gelijkwaardigheid, ondersteunen bij activiteiten, actief betrokken.
Organisatie van school en klas: Pedagogisch concept. Benadrukken van het unieke van elk kind. Iedere Jenaplan school een andere indeling. Niet leerstof maar kind staat centraal. Scholen delen wel de basisprincipes, kwaliteitscriteria en kernkwaliteiten. Georganiseerd in de NJPV (Nederlandse Jenaplan Vereniging). Collegiale intervisie. Heterogene leeftijdsgroepen. 4 Basisactiviteiten (gesprek, werk, spel, viering). Ritmisch weekplan.
Materialen: Geen specifieke materialen. Leerkracht kijkt wat het beste aansluit bij onderwerp, groep, niveau en het individuele kind.

Was dit artikel nuttig? ‘Like’ het onderaan de pagina of op Facebook!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s