Levensbeschouwing: Rituelen

Het ritueel is een belangrijk onderdeel van het opvoeden tot religieuze gevoeligheid. Door het herhalend karakter ervan, biedt het mensen – en kinderen in het bijzonder – een gevoel van veiligheid. Bovendien wordt door rituele handelingen de herkenbaarheid van handelingen vergroot. Daarom wordt er gepleit voor het invoeren van rituelen binnen de godsdienstlessen.

1. Het bijbelritueel
Bij het bijbelritueel geldt hetzelfde principe als bij het gebedsritueel. Kinderen moeten de momenten herkennen waarop je uit de bijbel vertelt. Het belangrijkste attribuut daarbij is de bijbel die een vaste plaats heeft in de klas en die de kinderen herkennen als een elementair deel van het geloof. De handelingen die je daarbij kunt stellen, zijn veelvuldig en elke leerkracht kan die invullen naar eigen creativiteit. We geven een voorbeeld van een bijbelritueel dat je op weg kan zetten.

Neem de klasbijbel – het is belangrijk dat je dat doet terwijl de kinderen toekijken – en leg hem op een voor iedereen goed zichtbare plaats. Open de bijbel bij het verhaal dat je gaat vertellen. Laat één van de kinderen de kaars naast de open bijbel zetten en aansteken. Vraag de kinderen om stil te worden terwijl je vertelt. Als het bijbelmoment is afgerond, mag één van de kinderen de kaars uitblazen en wegzetten én de bijbel terug naar zijn vaste plaats brengen.

2. Vertellenderwijs
Jonge kinderen zijn in staat zich stevig in te leven in beelden die hen worden aangereikt. Dat is een belangrijk uitgangspunt als men jonge kinderen bijbelverhalen wil vertellen. Door beelden te laten spreken, komen jonge kinderen op het spoor van het bijbelverhaal en slagen ze erin in die bijbelverhalen te kruipen. Het verhaal dat zo door het kind wordt samengesteld, zal niet identiek zijn aan het verhaal in de bijbel. Maar het is een authentiek product dat het oorspronkelijke verhaal erg dicht benadert. Het kind ontdekt dat op het moment dat jij het oorspronkelijke bijbelverhaal vertelt.

Wil een dergelijke visie op het werken met bijbelverhalen kans op slagen hebben, dan moet je de volgende elementen voor ogen houden:
– de ontwikkeling die het kind met het verhaal doormaakt is prioritair;
– de weg die men daarbij moet volgen, is niet vooraf vast te leggen in een duidelijk leertraject, daarom: ‘trust the proces’;
– de zekerheid van vaste en geroutineerde verklaringen van bijbelverhalen moet vervangen worden door geloof in de kracht van het bijbelverhaal.

Deze visie vertrekt van ‘beelddidactiek’: beeldlogische omgang met verhalen. Dat betekent dat men probeert de werkelijkheid adequaat in beelden om te zetten. Het doel is het luisteren naar de werkelijkheid ‘die spreekt’ en beelden in de luisteraar oproept. Die beelden zijn vertolkers van gevoelens en ervaringen, eerder dan van begrippen. Daarom vormt de beeldlogische omgang met verhalen een tegengewicht voor de begripslogische omgang met de wereld. Verhalen bevatten in wezen altijd gestolde ervaringen. De luisteraar kan zich in die ervaringen herkennen, zodat een wisselwerking tussen het verhaal en de luisteraar ontstaat. Op die manier bemiddelt het verhaal tussen het kind en de wereld en reikt het verhaal het kind hulpmiddelen aan om een greep op die wereld te krijgen.

3. Bibliodrama
Bibliodrama is een bepaalde manier van omgaan met bijbelverhalen waardoor kinderen zich beter in het bijbelverhaal kunnen inleven en daardoor zicht krijgen op de draagwijdte ervan voor hun eigen leven. Voor de eerste cyclus weerhouden we de bibliodramatische werkvormen ‘de lege stoel’ en ‘het tableau-vivant’.

a. De lege stoel
Werkwijze:
– Het bijbelverhaal dat onderwerp wordt van deze werkvorm werd enkele dagen eerder verteld;
– De kinderen zitten in een halve kring;
– Vooraan staat een lege stoel.

1. Aanzet: 
Vraag de kinderen de ogen te sluiten en terug te denken aan het bijbelverhaal (over …) dat enkele dagen eerder werd verteld. Benadruk dat de kinderen niets over het verhaal hoeven te zeggen, maar dat zij enkel moeten proberen zicht te herinneren wat zij nog weten. Na korte tijd mogen zij de ogen weer openen.

2. Actie:
1. Vertel de kinderen dat een bepaald personage (het kan ook een dier zijn) uit het verhaal op bezoek komt in de klas. Haal de ingebeelde bezoeker op aan de deur en stel hem/haar voor aan de kinderen. De ingebeelde bezoeker neemt plaats op de stoel die duidelijk zichtbaar klaarstaat (en die leeg blijft).
2. De kinderen mogen vragen stellen aan de bezoeker.
3. Demonstreer vooraf hoe dat verloopt: “Je gaat voor de stoel staan, je zegt de naam van de persoon op de stoel en je stelt je vraag. Luister of je een antwoord krijgt. Als dat het geval is, ga je achter de stoel staan; je legt je handen op de rug van de stoel en je geeft het antwoord in de ik-vorm. Als je geen antwoord hoort, ga je terug op je plaats zitten. Wie het antwoord wél hoort, mag achter de stoel komen staan en het antwoord in de ik-vorm formuleren. Het is heel belangrijk dat je deze werkwijze demonstreert. Op die manier weten de kinderen beter hoe de vork aan de steel zit én bijt jij meteen de spits af als ‘eerste vraagsteller’.
4. Het gebeurt dat je meer vragen moet stellen vooraleer één van de kinderen het durft. Maar eens de drempel overwonnen, slaat de werkvorm erg goed aan bij 6- tot 8-jarigen.
5. Beëindig de werkvorm als er geen vragen meer zijn. Begeleid de ingebeelde bezoeker terug tot aan de deur, terwijl de kinderen hem gedag zeggen.
6. ‘Ontrol’ de stoel door die rond te draaien op één van de achterste poten, terwijl je zegt: “Kijk, de stoel is leeg; het is weer een gewone stoel.”

3. Actualisering:
1. Ga zelf op de stoel zitten.
2. ‘In eerste instantie stel je algemene vragen aan de kinderen: “Hoe was het om dat te doen? Wat vonden jullie prettig en waarom? Wat vonden jullie niet prettig? Waarom niet?”
3. ‘ Probeer te verkrijgen dat de kinderen de band leggen tussen het verhaal en hun eigen leven door vragen te stellen als: “Zijn er dingen waaraan jullie moesten denken toen je een bepaald vraag of een bepaald antwoord hoorde? Wie van jullie heeft al eens iets meegemaakt dat je in een bepaalde vraag of een bepaald antwoord hoorde? Vertel eens …” Het helpt als je eerst zelf verwoordt wat de vragen en antwoorden bij jou hebben opgeroepen.
4. ‘Als alles gezegd is, doe je het bijbelritueel en vertel je het verhaal opnieuw, zodat de kinderen de oorspronkelijke versie kunnen vergelijken met de vragen die ze gesteld hebben en de antwoorden die ze gegeven hebben. Na het vertellen van het verhaal en het afsluiten van het bijbelritueel, is de werkvorm ten einde.

b. Het tableau vivant
De bedoeling van een tableau vivant (een levend schilderij) is – opnieuw – de inleving. De kinderen nemen de rol van een personage op zich, maar die rol is beperkt in ‘tijd’: het is een momentopname zoals op een schilderij of een foto, én in ‘plaats’: de personages bewegen niet.

Werkwijze:
1. Leg de kinderen uit wat een ‘tableau vivant’ is: het zo getrouw mogelijk nabootsen van wat in een fragment gezegd wordt of van wat op een foto, een tekening of in een situatie te zien is.
2. Bepaal samen met de kinderen het fragment dat je gaat uitbeelden.
3. Vraag wie van de kinderen een bepaald personage wil nabootsen en dus een bepaalde houding wil aannemen.
4. Geef de overgebleven kinderen de opdracht zorgvuldig te observeren. Mogelijke observatie-items zijn:
– welke gelijkenissen zijn er met het origineel?
– welke verschillen zijn er met het origineel?
– …

2. Actie:
Het ‘tableau vivant’ wordt neergezet (gevormd). Je geeft het kind (de kinderen) aanwijzingen omtrent houding, mimiek, lichaamstaal, … Zo bouw je het tableau vivant op. Als iedereen denkt klaar te zijn, laat je het geheel even stilstaan. Dat is het moment waarop de anderen écht kunnen observeren.

3. Actualisering:
Het ‘tableau vivant’ wordt verbroken. De kinderen gaan in de kring zitten. Er volgt een gesprek. Vraag eerst naar de gevoelens van de kinderen die deelnamen aan het tableau vivant. Daarna komen de observatoren aan het woord. Vraag ten slotte wat het tableau vivant zoal heeft opgeroepen bij de kinderen.

4. Het kringgesprek
Het is voor iedereen duidelijk dat bij een kringgesprek vooral het dynamisch-affectieve aspect primeert. Basisvoorwaarde voor een kringgesprek is een open pedagogisch klimaat met respect voor elkaar, vertrouwen in elkaar en betrokkenheid op elkaar. Het doel van het kringgesprek zoals wij dat hier gebruiken, is het verhogen van de betrokkenheid van de kinderen bij het onderwerp.

Werkwijze:
De leerkracht en de kinderen zitten samen in een opstelling die oogcontact met alle betrokkenen toelaat. Dat lukt vrij goed in een halve kring.
– De leerkracht of de kinderen brengen een onderwerp naar voor. Het onderwerp moet tot de ervaringswereld van de kinderen behoren, zo niet is er geen gesprek mogelijk.
– Maak goede afspraken met de groep betreffende:
* het luisteren naar elkaar,
* het woord vragen,
* het inspelen op wat anderen inbrengen,
* het respect voor elkaar bv. als iemand niet zo goed uit zijn woorden komt.
* Bespreek in het begin van het schooljaar samen met de kinderen wat zij de beste opstelling voor een kringgesprek vinden.
– Bespreek op regelmatige tijdstippen met de kinderen of zij vinden dat ze genoeg aan bod komen, en of ze het systeem van beurtrol eventueel willen veranderen. Spreek ook af dat de kinderen samen met jou over het naleven van de regels waken.

Omdat we in de handleiding dikwijls van deze of een hieraan verwante werkvorm gebruik maken, lijkt ons het inrichten van een permanente zithoek in de klas echt geen overbodige luxe.

5. Het filosofisch gesprek
Een filosofisch gesprek verschilt van een kringgesprek qua onderwerp en methode. Een filosofisch gesprek gaat over een filosofisch onderwerp, de ‘waarom-vragen’ zijn van groot belang. Daarom sluit een filosofisch gesprek nauw aan bij de leefwereld van het kind waarin het heel dikwijls ‘waarom-vragen’ stelt. Op die manier ontdekt de groep die het gesprek voert, criteria en redenen voor het vormen van een mening. Het doel van filosofische gesprekken met kinderen is hen te motiveren en hulpmiddelen aan te reiken om zelfstandig en met voldoende kritische zin de wereld rondom te bekijken.

Werkwijze:
– In het filosofisch gesprek is het uitgangspunt altijd de houding van ‘niet-weten’.
– De leerkracht is gewoon een deelnemer aan het gesprek en niet langer de autoriteit die alles weet. Zowel voor jou als voor de kinderen is het loslaten van die rol niet zo evident. Elke leerkracht heeft immers de neiging wat ‘verkeerd’ is te verbeteren. Dat zou het kind echter afremmen en het denkproces stopzetten. Het kind moet vooral vrij kunnen denken en argumenteren.
– Het gesprek kent een gespreksleider, maar dat hoeft niet noodzakelijk de leerkracht te zijn. De gespreksleider is verantwoordelijk voor het verloop van het gesprek, niet voor de inhoud. Hij moet zich zoveel mogelijk afzijdig houden opdat zijn/haar mening niet de bovenhand krijgt.
– De aanzet voor een filosofisch gesprek kan veelvuldig zijn: een verhaal, iets wat iedereen op het journaal gezien heeft, een vraag van een kind, …
– Verschillende soorten vragen komen aan bod:
* Bij het begin van het gesprek worden vooral verduidelijkende vragen gesteld, die ertoe leiden dat het onderwerp min of meer
wordt afgebakend. Het gaat om vragen als: “Wat bedoel je daarmee? Probeer het eens op een andere manier te formuleren?
Welk verband zie je tussen …? …”
* Normaal komen daarna de vragen naar argumenten naar boven. Vragen zoals: “Hoe kom je daarbij? Waarop steun je je om dat
te zeggen? Hoe kunnen we achterhalen of dat klopt? …”
* Verder zijn er vragen naar gevolgen omdat de spreker niet altijd goed overziet wat de gevolgen kunnen zijn van wat hij/zij zegt.
Vragen zoals: “Wat zou er gebeuren als …? Wat zijn de gevolgen als …? Zou het kunnen dat …?”
* Ten slotte zijn er ook nog vragen die als doel hebben het gespreksonderwerp verder open te trekken en verschillende
invalshoeken naast elkaar te plaatsen. Vragen zoals: “Zou je dat ook vanuit een andere richting kunnen bekijken? Is er iemand
die daar helemaal anders over denkt? Als we dat zouden vragen aan …, zou die daar hetzelfde over denken? Waarom (niet)? …”
– Het gesprek wordt afgerond met een soort samenvatting van wat er gezegd werd. Eén van de deelnemers – en dus niet noodzakelijk de leerkracht – geeft die samenvatting.

6. Het rollenspel
De bedoeling van een rollenspel is (opnieuw) de inleving. Doorheen het opnemen van bepaalde rollen kunnen kinderen zich beter inleven in de personages en hun handelswijze en bieden ze ook de toeschouwers die mogelijkheid.
Werkwijze:
– Als aanzet tot een rollenspel kan een verhaal, een leestekst of een bepaalde situatie dienen.
– Vraag welke kinderen bereid zijn een rol te spelen. Verdeel de rollen.
– Vul de rollen in overleg met de kinderen in en hou daarbij de aanzet voor ogen.
– Speel het spel.
– Bespreek het spel. De kinderen lichten toe waarom ze de rol op een bepaalde manier vorm hebben gegeven.

Een verrijkende mogelijkheid bij het rollenspel is het inschakelen van observatoren. Ze krijgen vooraf een bepaalde opdracht, bv. het bekijken van een bepaalde persoon (lichaamstaal, mimiek, uitspraken, …). Na het spel worden hun bevindingen naast de bevindingen van de spelers gelegd.

7. De seizoenentafel
De seizoenentafel in Tuin van Heden is een variant op de seizoenentafel volgens de Steinerpedagogie. Het werken met de seizoenentafel beoogt het intenser beleven van de tijd, de jaargetijden, de natuur en het kerkelijk jaar. Het kerkelijk jaar hangt sterk samen met onder meer de jaargetijden en de natuur. Als je een stuk van de natuur en de seizoenen in de klas tentoonstelt, kan het kerkelijk jaar van daaruit samen met de kinderen beleefd worden.
Basisbenodigdheden:
– een tafeltje, kist, bank, … dat voor niets anders mag gebruikt worden;
– doeken in verschillende kleuren die verwijzen naar de verschillende seizoenen. Wij willen qua kleur vooral aansluiten bij de kleuren van het liturgisch-pastoraal jaar. Denk bv. aan geel voor de paastijd, paars voor de veertigdagentijd, rood, groen en wit voor de kersttijd, wit of rood voor Pinksteren. De meimaand kan blauw als kleur krijgen en november met Allerheiligen en Allerzielen krijgt donkere kleuren. Overigens zijn kleuren die aansluiten bij de natuur (bv. groen) ook altijd goed.
– een lichtbron bv. theelichtjes, een kaars, een olielamp, … als uiterlijk teken voor innerlijk licht;
– natuurlijke materialen (vooral afkomstig uit de natuur) aangepast aan het seizoen.

Het doek wordt over de bank of … gelegd. Daarop komen de natuurmaterialen en de lichtbron. De leerkracht én de kinderen brengen voorwerpen voor de seizoenentafel mee. Dit is mogelijk op voorwaarde dat de bedoeling van de seizoenentafel duidelijk is uitgelegd.

De verdere aankleding kan o.a. door een afbeelding (reproductie, prentbriefkaart, prentenboek, …) die aansluit bij het seizoen, de periode van het kerkelijk jaar of het thema dat op dat moment in de klas aan de orde is. Ook liedjes of gedichten die erbij aansluiten, kunnen hun plaats op de tafel krijgen.

Trek op een vast moment in de week 10 minuutjes tijd uit om met de kinderen te kijken naar wat er op de seizoenentafel ligt, waarnaar die elementen verwijzen, wanneer de attributen moeten veranderd worden in functie van het volgende seizoen of feest, … Een dergelijk ‘stilstaan bij …’ is ook een mooie dagafsluiter.
Bron: Tuin van Heden.be

Was dit artikel nuttig? ‘Like’ het artikel onderaan de pagina!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s