Diagnose: Autisme – ontwikkelingsvraag 1: Autisme en onderwijs

Goed, we weten nu wat beter wat autisme is. Maar hoe gaan we er op school mee om? Kan een kind met autisme wel gewoon naar school? En wat kun je zelf voor een kind met autisme betekenen? Lees verder om hier meer over te leren.

Kinderen met autisme komen natuurlijk in alle schooltypen voor: in het reguliere onderwijs, maar ook in het speciale basisonderwijs, leerwegondersteunend onderwijs en alle 4 de clusters van het speciaal onderwijs. Onderwijs is een belangrijk speerpunt in het NVA-beleid. Uit de NVA-ledenenquête blijkt dat teveel kinderen ertussenin vallen. Zij zitten of thuis of op een niet passende plek in het onderwijs.

In verschillende NVA regio’s is er een aparte werkgroep die zich bezig houdt met onderwijs. In andere regio’s is zo’n werkgroep er niet, maar is er bijvoorbeeld een bestuurslid dat zich actief hiervoor inzet. De NVA neemt deel aan de beleidscommissie Onderwijs van de CG-raad (Chronisch zieken en gehandicaptenraad). Via die weg heeft de NVA vanuit cliëntperspectief inspraak in alle actuele ontwikkelingen op het gebied van onderwijsbeleid.

Kinderen met autisme blijken in de praktijk de meest betrouwbaar te diagnosticeren groep. Vier à vijf op de tienduizend kinderen worden als zodanig gediagnosticeerd. Ongeveer 75% van deze kinderen heeft tevens een verstandelijke beperking. Aangezien zich bovendien problemen voordoen bij de spraak/taalontwikkeling en vaak sprake is van extreme uitingsvormen (bijvoorbeeld onder de tafel wegkruipen), komen deze kinderen in het reguliere onderwijs vrijwel niet voor. Het enkele hoog functionerende autistische kind die wel regulier onderwijs volgt, loopt grote kans ingedeeld te worden bij de PDD(NOS)-groep. De discussie die hierover wordt gevoerd, heeft vooral een klinisch karakter. Voor de benadering van deze kinderen is het onderscheid niet van wezenlijk belang. Daarom geef ik slechts de kernsymptomen van autisme weer. Dit is van belang om de relatie en het onderscheid met het PDD(NOS)-beeld te kunnen illustreren. De kernsymptomen zijn omschreven in het Amerikaanse systeem (DSM IV). Hierin staan de kernsymptomen als volgt:
* Een contactpersoon die zich uit in ten minste 2 van de volgende kenmerken:
– een stoornis in non-verbaal gedrag, zoals oogcontact, gezichtsuitdrukking, lichaamshouding en gebaren voor het reguleren van sociale interacties (bijvoorbeeld een knipoog);
– het onvermogen om relaties met leeftijdgenoten op te bouwen;
– een stoornis in het uiten van plezier om blijdschap van anderen;
– een tekort aan sociale of emotionele wederkerigheid (als jij vriendelijk bent, laat ik merken dat ik dat waardeer).

* Een communicatiestoornis die zich uit in ten minste één van de volgende kenmerken:
– een achterstand in of afwezigheid van taalontwikkeling;
– indien spraak aanwezig is: onvermogen om een gesprek te beginnen of te onderhouden;
– stereotype, repeterend of vreemd taalgebruik (bijvoorbeeld almaar over ‘diep’ willen praten;
– een tekort aan spontaan ‘alsof’-spel of sociaal imitatiespel.

* Beperkte repeterende en stereotype gedragspatronen, interesses en activiteiten die zich uiten in ten minste één van de volgende kenmerken:
– voortdurend gericht zijn op één of meer stereotype en beperkte interesses die overdreven zijn wat betreft de intensiteit of de inhoud (bijvoorbeeld voortdurend met plattegronden bezig zijn);
– een schijnbaar dwangmatige gehechtheid aan bepaalde niet-functionele routines of rituelen (bijvoorbeeld zeer verstoord raken wanneer de leraar tegen de gewoonte in bij binnenkomst niet op zijn vaste plek staat);
– stereotype en repeterende handelingen (bijvoorbeeld fladderen met handen of vingers of als een kikker door de klas springen);
– een vasthoudende gerichtheid op delen van voorwerpen.

Er is sprake van autisme indien aan ten minste 6 criteria van a, b en c wordt voldaan.
Bron: http://www.autisme.nl/autismeonderwijs.html?mnu=tmain100:sovaut200&s=1&l=nl&t=1312480167

Wat kan ik doen als leerkracht?
Wanneer een leerkracht een leerling met autisme in de klas krijgt, weet hij of zij dat deze leerling structuur nodig heeft. Maar hoe kun je deze nu het beste aanbieden? Voor autistische kinderen geldt dat zij duidelijkheid nodig hebben in ruimte, tijd, activiteit en interactie.

Ruimte
– Zorg voor zo weinig mogelijk afleidende prikkels in het lokaal.
– Hang de schoolregels op een vaste, duidelijk zichtbare plek in het lokaal.
– Zorg voor een time-outplek of rustplek in het lokaal.
– Geef de leerling een vaste plek in het lokaal.
– Zorg voor een gestructureerde en overzichtelijke werkplek.
– Berg materialen op een vaste, gemarkeerde plek op.
– Berg materialen die angst op kunnen roepen in overleg met de leerling op.

Tijd
– Visualiseer het lesrooster.
– Geef afwijkingen van het lesrooster van tevoren aan.
– Gebruik hulpmiddelen om de tijd concreet te maken.
– Ondersteun het gebruik van een agenda.
– Deel grote opdrachten samen met de leerling op in deelstappen (stappenplannen).
– Ondersteun de leerling bij het inschatten van tijd en het maken van planningen.
– Houd rekening met een trager werktempo.

Activiteit
– Gebruik een vaste lesopbouw.
– Houd instructiemomenten kort.
– Maak uitleg visueel.
– Zorg dat de leerling weet wat hij moet doen.
– Geef veranderingen van tevoren aan.
– Geef extra tijd bij opdrachten en toetsen.
– Bereid leerlingen voor op bijzondere activiteiten, zoals vieringen, schoolfeesten, excursies en stages.
– Verplicht een leerling niet tot deelname aan bijzondere activiteiten.

Interactie
Duidelijkheid bieden in ruimte, tijd en activiteit kan vrij eenvoudig zijn, omdat dit voornamelijk bestaat uit het aanpassen van de omgeving. Het moeilijkst in de klas, vooral tijdens het lesgeven, is het bieden van duidelijkheid in interactie. Dit vergt veel inlevingsvermogen en constante alertheid van een leerkracht. Bij de omgang met leerlingen met autisme, zijn een aantal algemene aandachtspunten te noemen:
– Ga uit van onmacht van de leerling, niet van onwil;
– Gebruik concrete en heldere taal;
– Spreek in een rustig tempo;
– Gebruik korte en kernachtige zinnen;
– Maak gebruik van visuele ondersteuning (het bord, plaatjes of pictogrammen);
– Vermijd dubbele boodschappen, ironie, beeldspraak, e.d.;
– Leg spreekwoorden en grapjes uit;
– Stel eenduidige, positief geformuleerde regels;
– Bereid de leerling voor op veranderingen;
– Probeer bij escalaties op een kalme, zakelijke manier te reageren;
– Bespreek de escalatie met de leerling wanneer deze weer gekalmeerd is.
Bron: http://www.trouw.nl/tr/nl/4628/Autisme/article/detail/1143603/2009/06/18/Wat-kan-ik-doen-als-leraar.dhtml

Wat kunnen de ouders doen?
Natuurlijk kunnen ouders ook veel betekenen voor het kind. Wanneer een ouder vermoedens heeft van autisme bij het kind, kan een eerste stap zijn om dit te bespreken met de leerkracht van het kind op school. De ouder spreekt zijn vermoedens uit of gaat na of het kind op school ook tegen bepaalde moeilijkheden aanloopt. Bij autisme doen de genoemde kenmerken zich namelijk voor in meerdere situaties en bij meerdere personen. Geeft de school eveneens aan dat zij vermoedens hebben van autisme, dan gaat de ouder naar de huisarts. Zit het kind (nog) niet op school? Dan kan een eerste stap (eventueel via het consultatiebureau) de huisarts zijn. De huisarts zal de ouder na een gesprek verwijzen naar een van de volgende instanties.

Bureau Jeugdzorg – Bij kinderen met een gemiddelde intelligentie (IQ boven de 85).
Bureau Jeugdzorg brengt de hulpvraag in kaart, doet eventueel onderzoek en verwijst naar een passende zorginstelling, zoals: de Geestelijke GezondheidsZorg (GGZ, bijvoorbeeld Riagg), een ziekenhuis (afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie) of een particulier bureau met psychologen en/of orthopedagogen.

Het Centrum Indicatie Zorg (CIZ) – Bij kinderen met een beneden gemiddelde intelligentie (IQ onder de 85).
Deze voert een intakegesprek en verwijst voor onderzoek door naar bijvoorbeeld het Riagg.

De ouder kan ook zelf direct contact zoeken en opnemen met een van deze instanties. Wanneer het nog onduidelijk is wat de intelligentie is van het kind, kan er op school eventueel een intelligentie onderzoek worden aangevraagd.

Het kan zijn dat een kind zich heel anders voordoet dan thuis of op school wanneer het kind in een spreekkamer van een arts of bij Bureau Jeugdzorg is. Hoewel de onderzoekers zich hier bewust van zullen zijn, is het handig hier op in te spelen. Dit kan door een brief voor de arts of Bureau Jeugdzorg op te stellen waarin de ouder de problemen die zich thuis of op school voordoen op een rijtje zet.

Een kinderpsychiater, gz-psycholoog of kinderarts onderzoekt het kind uiteindelijk. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van vragenlijsten die de ouders/verzorgers, het kind zelf en de school invullen. Voor het stellen van een diagnose is het belangrijk om te kijken of de problemen zich in meerdere situaties (dus zowel thuis als op school) voordoen. Medewerking van de school aan zo’n onderzoek is daarom wenselijk.
Bron: http://www.trouw.nl/tr/nl/4556/Onderwijs/article/detail/1143602/2009/06/18/Wat-kan-ik-doen-als-ouder.dhtml

Precies weten hoe je om moet gaan met kinderen met autisme? Of hoe de omgang tussen kinderen met autisme met elkaar of met kinderen zonder autisme gaat? Dat lees je in onderstaan document. Notitie: Deze informatie is afkomstig uit mijn eigen gemaakte beroepsproducten gedurende mijn opleiding. Bronnen zijn vernoemd, maar verder gebruik zonder toestemming is niet gewenst.

Document omgang met autistische personen

Was dit artikel nuttig? ‘Like’ het onderaan de pagina!

Advertenties

2 thoughts on “Diagnose: Autisme – ontwikkelingsvraag 1: Autisme en onderwijs

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s